Arie de Ruijter

06 546 500 19

arie@dusuwilteencamper.nl

Aanmelden voor Nieuwsbrief

DUS U WILT een camper? & Vrouw rijdt camper

Veiligheidsgordels

Om veilig te rijden zijn campers - net als (andere) personenauto's en bedrijfsauto's - voorzien van veiligheidsgordels. Die moeten tijdens het rijden natuurlijk worden gebruikt. Het is niet de bedoeling, dat een van de inzittenden tijdens de rit bijvoorbeeld op het bed gaat liggen of op een treinzitje gaat zitten. 

 

Toch is in de praktijk niet steeds duidelijk wat er mag en wat er kan, vooral als het oudere campers betreft. De wetgeving is ook best wel complex. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen campers die als personenauto geregistreerd zijn en campers die als bedrijfsauto te boek staan.  

A. Campers die geregistreerd staan als personenauto

Zitplaatsen

Op het kentekenbewijs van campers vanaf 1/6/2004 is vermeld over hoeveel zitplaatsen met goedgekeurde veiligheidsgordels voor het rijden op de weg de camper beschikt. 

Voor campers van voor 1/1/2004 geldt dat je tijdens het rijden moet zitten op de plaatsen die daarvoor bedoeld zijn. Dat kunnen plaatsen zijn zonder goedgekeurde veiligheidsgordel.  
 

Naar voren gerichte zitplaatsen

Voor campers die na 31 december 1989 in het verkeer zijn gebracht moeten naar voren gerichte zitplaatsen over goedgekeurde gordels beschikken.

 

Naar achteren gerichte zitplaatsen

Voor campers die na 30 september 2000 in het verkeer zijn gebracht moeten naar achteren gerichte zitplaatsen over goedgekeurde gordels beschikken.

 

Zitplaatsen in de lengterichting

In sommige campers zijn banken of zitplaatsen in de lengterichting gebouwd. Je kijkt dan als het ware tegen de zijkant van de camper aan, maar niet naar voren of naar achteren. Van die plaatsen mag geen gebruik worden gemaakt als de camper na 19 oktober 2008 in het verkeer is gebracht. Voor oudere campers geldt dat niet. 

 

Artikel 5.2.47 Regeling voertuigen  
Eisen
Wijze van Keuren
1. Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen.
2. Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3. Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
5. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
6. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.

B. Campers die geregistreerd staan als bedrijfsauto

Voor als bedrijfsauto geregistreerde campers gelden voor een gedeelte bijzondere regels. Volgens een van de bijzondere regels mag zonder gordel worden meegereden op een naar voren gerichte zitplaats als binnen maximaal 1,30 m voor de rugleuning zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. 


Artikel 5.3.47 Regeling voertuigen
Eisen
Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor:
a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en
b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen, indien op een afstand van maximaal 1,30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.
Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig.
3. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
4. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan.​